10 Tijd
TIJD, KLOK, KALENDER
Besef hebben van het verstrijken van tijd, gebeurtenissen in de tijd kunnen ordenen en interpreteren.

Kunnen aflezen van alle analoge tijden en digitale tijden. Omzetten van analoge tijden in digitale tijden en omgekeerd.

In eenvoudige, betekenisvolle situaties met gegeven tijden, de tijdsduur of een tijdstip bepalen, bijvoorbeeld bij bus/treinregeling, televisiegids-teletekst, school- en openingstijden, koken.

Kennen van de begrippen seconde, minuut, kwartier, uur, dag, week, maand, jaar, eeuw en kunnen omrekenen van veel voorkomende én betekenisvolle tijdmaten: maanden, weken en dagen in een jaar; dagen in de maanden en de week; uren in een dag; minuten en kwartieren in een uur; seconden in een minuut.

Lezen van tijdkalenders (jaarkalender, maandkalender, verjaardagskalender). Kunnen aflezen, interpreteren en noteren van datumaanduidingen.

Kennen van de namen en de volgorde van de dagen in de week en de maanden in het jaar.

Eigen referenties hebben van tijdsduur, gekoppeld aan activiteiten.