13 Inhoud
INHOUD
Inhouden kunnen vergelijken en ordenen van weinig naar veel op basis van: de vorm en grootte van verpakkingen; overgieten, passen en meten, al dan niet met behulp van een maatbeker; de gegevens op de verpakkingen.

Kunnen aflezen van de inhoud van voorwerpen waarop een maatverdeling staat, zoals maatbekers, en kunnen afpassen van een gewenste hoeveelheid/inhoud (zoals in recepten) met behulp van een maatbeker.

Aantal verpakkingen in een grote verpakking bepalen door gebruik te maken van tellen en van begrip van de relatie tussen de inhoud, de lengte, de hoogte en de breedte van een verpakking.

Weten dat inhouden van verpakkingen ook in gewicht kunnen worden uitgedrukt en dat inhouden zowel vloeibaar als vast kunnen zijn.

Kennen van de begrippen liter (l), deciliter (dl), centiliter (cl) en milliliter (ml) , kennen van de samenhang hiertussen in betekenisvolle situaties en kunnen maken van veel voorkomende herleidingen: van l naar dl, cl en ml; van cl naar ml en l; van ml naar cl en l, waarbij het gaat om betekenisvolle situaties (recepten, verpakkingen).

Weten dat inhouden ook uitgedrukt worden in kubieke maten, zoals m3, dm3 en cm3. Weten hoe groot de inhoud van 1 m3, 1 dm3 en 1 cm3 is en hoe ze zich tot elkaar verhouden.

Kennen en notie hebben van enkele veel voorkomende referentiematen bij inhouden en kunnen kiezen van de juiste maat in de gegeven context.