Ontwikkeling in schoolbeleid
Om beleid rond zwakke rekenaars te kunnen realiseren is het belangrijk dat het hele team weet wanneer in dit verband van zwakke rekenaars gesproken wordt: welke leerlingen bedoelen we precies? Wat zijn hun toetsscores? Wat is hun uitstroomprofiel? Wat is hun leerrendement?

Zinvol is de samenstelling van de eigen schoolpopulatie in kaart brengen: hoeveel zwakke rekenaars betreft het eigenlijk? Het effect dat de samenstelling van de schoolbevolking heeft op het beleven van wat goed en normaal is, is van belang. Bijvoorbeeld: in een school waar de D- en E-scores overheersen, zal een zwakke rekenaar minder snel opvallen dan bij een populatie waar voornamelijk A- en B-scores worden gehaald.

Bepaal welke plek het onderwijs aan zwakke rekenaars moet krijgen. Het gaat om de betekenis voor de leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Voor welke leerlingen is het leerrendement zodanig beperkt, dat aanpassing van de doelen en werken aan referentieniveau 1F  kan leiden tot weer leren rekenen?
Wanneer duidelijk is dat voor bepaalde leerlingen aan de doelen bij 1F gewerkt gaat worden, komt de vraag naar materialen en mogelijkheden. Blijven we werken met de eigen methode, kiezen we voor andere materialen of een combinatie daarvan?  Samen (per bouw) oriĆ«nteren op deze mogelijkheden werkt inspirerend en draagt bij aan de afstemming.

Antwoorden op deze vragen vormt het protocol van de school op het gebied van werken met referentieniveaus voor rekenen.  In het protocol staat de werkwijze van de school beschreven. Door de werkwijze expliciet op papier te zetten krijgen leerkrachten en ouders inzicht in de procedure. Daarnaast maakt een protocol het mogelijk om werkwijzen af te stemmen, regelmatig te evalueren en bij te stellen. Op die manier zorgt de school voor een eenduidige doorgaande lijn en kwaliteitsbewaking van deze lijn."

Meer informatie: