Leerling- en onderwijskenmerken
Er zijn veel verschillende oorzaken (of combinaties daarvan) waardoor leerlingen een lage rekenvaardigheid hebben. Deze oorzaken zijn onder te verdelen in onderwijskenmerken en leerlingkenmerken.

Leerlingkenmerken

Er zijn verscheidene oorzaken aan te voeren waardoor leerlingen moeite hebben met leren rekenen; soms is er sprake van een combinatie van verschillende oorzaken:

  1. Intelligentie
    Een lage intelligentie en dan vooral een lage logisch-mathematische intelligentie (Gardner), is een voor de hand liggende oorzaak van rekenproblemen. Minder mogelijkheden tot logisch en abstract denken zetten een leerling in de rekenles al snel op achterstand. Ook een minder ontwikkelde visueel ruimtelijke intelligentie kan een rol spelen bij het zich voorstellen van hoeveelheden en bij meetkundige onderwerpen.
  2. Leeftijd
    Binnen een leerstofjaarklassensysteem is de geboortemaand van een leerling een bepalende factor voor schoolsucces (Doornbos). De ontwikkeling van de leerlingen in een jaarklas kan binnen het gemiddelde twee jaar verschillen. Jonge kinderen hebben een probleem als hun ontwikkeling (net) niet aansluit bij de inhoud en het tempo van het klassikale aanbod. De stof wordt dan net niet helemaal begrepen, de feiten en procedures zijn net niet genoeg geautomatiseerd om met zelfvertrouwen de volgende stap te zetten.
  3. Stoornis
    Bij sommige leerlingen is sprake van een stoornis. We kennen dyslexie, dat in sommige gevallen ook bij het automatiseren (memoriseren) van rekenfeiten een rol speelt, en nonverbal learning disability (nld), waarbij naast andere kenmerken, de betekenis van visuele en tactiele modellen en hulpmiddelen bij het leren rekenen niet direct wordt herkend en apart via verbale ondersteuning moet worden aangeleerd. Daarnaast is er ook de zogenaamde specifieke rekenstoornis, waarvoor de term dyscalculie wordt gebruikt. Hierbij is onder meer het direct herkennen van kleine hoeveelheden en het automatiseren en memoriseren van basisfeiten en -handelingen een probleem.
  4. Taalprobleem
    Leerlingen met een taalachterstand kunnen ook problemen op het gebied van rekenen hebben, omdat ze bijvoorbeeld moeite hebben instructies te begrijpen. Daarnaast hebben deze leerlingen vaak moeite met contextopgaven.
    Woordenschat speelt bij het begrijpen van taal een belangrijke rol. Bij rekenen worden allerlei begrippen met een specifieke betekenis gebruikt. Wie het begrip of die specifieke betekenis niet (her)kent, zal de essentie van een instructie ontgaan. Verder is de uitspraak van getallen in relatie tot de schrijfwijze, met name tussen 10 en 100, soms een probleem. 

Bovengenoemde oorzaken kunnen een onoverbrugbare achterstand met de rest van de groep veroorzaken. Indicatoren daarvoor zijn:

  • Onvoldoende voorkennis om mee te kunnen doen met de groepsinstructies 
    • Onvoldoende beheersen van voorwaardelijke kennis;
    • Het niet zelf kunnen komen tot een (start van een) oplossingsstrategie bij een som
  • Onvoldoende voorkennis om de zelfstandig te verwerken opgaven daadwerkelijk zelfstandig te kunnen maken
    • (Volledige) afhankelijkheid van het stapsgewijs voorstructureren van een som door de leerkracht

Dit heeft tot gevolg dat leerlingen:

  • Herhaaldelijk onvoldoendes scoren op meerdere onderdelen van de methodegebonden toetsen
  • Onvoldoende baat hebben bij remediëringsactiviteiten die de methode aangeeft
  • Onvoldoende beheersing hebben na een periode van remediëren
  • Onvoldoende kennis hebben om sommen zelfstandig te kunnen maken na herhaaldelijke verlengde instructies
  • Herhaaldelijk hebben lage D en/of E-score hebben op de methodeonafhankelijke LOVS-toetsen van CITO. 

Onderwijskenmerken

Kinderen die moeite hebben met rekenen zijn over het algemeen gebaat bij intensievere begeleiding van de leerkracht. Daarbij valt te denken aan:

  • Pre-teaching van de les die komt
  • Verlengde instructie van de klassikale instructieles
  • Verlengde instructie van de minimumdoelen van het blok of reeks
  • Voor een langere periode het gebruik van materialen en modellen als ondersteuning bij de bewerking
  • Verlengde instructie op basis van niet beheerste doelen uit een vorig blok of reeks (remediering)
  • Toepassen van de woordenschatdidactiek op de rekenwoorden als ‘erbij’, ‘verschil’, gemiddelde, stijgen, etc.
  • Terugbrengen van de hoeveelheid te verwerken stof naar een behapbare hoeveelheid in relatie tot de beschikbare tijd

Zwakke rekenaars zijn, naast de bovenstaande punten, gebaat bij een realistisch ontwikkelingsperspectief en rekenactiviteiten die aansluiten bij het niveau van de leerling. De noodzaak om aan te sluiten bij het niveau van de leerling maakt het samenstellen van het aanbod voor deze leerlingen vaak ingewikkeld. Zowel organisatorisch als rekeninhoudelijk.